België op zijn best
Moslimjongeren
staan klaar voor terroristische actie. Als woorden niet helpen, zijn andere
middelen gerechtvaardigd!
Ik ben Hind, een Vlaamse studente
die een thesis voorbereidt over islambeleving in Brusselse gettowijken. Vaak
moet ik dan even slikken. Van mijn eigen leugen. Want ik ben geen studente. De
thesissmoes dient als dekmantel voor mijn journalistiek werk. Mijn opdracht?
Ontmasker moslimextremisten in Sint-Jans-Molenbeek, het Klein-Marokko van onze
hoofdstad.
Hier sta ik dan, op een winteravond
in Molenbeek. Het is koud en donker. Niettemin neem ik de tijd om goed een blik
te werpen op de Rue De Ribaucourt. Ik zie een straat aan een druk kruispunt,
een straat aan een marktplein, een straat in een volkswijk, een straat met
verdachte handeltjes, een straat met hangjongeren en een Marokkaanse
winkelstraat in het centrum van Molenbeek. Dit alles is de Rue De Ribaucourt.
Ik noem het ‘mijn straat’. Hier woon ik twee maanden als licentiate sociologie.
Tenminste, zo stel ik me voor aan Molenbeekse moslims.
Het is acht uur ’s avonds, dag 1 in
mijn onderzoek. Mijn flatgenote Amira wacht me vriendelijk op. Ik heb Amira
leren kennen via de Molenbeekse tamtam. Die werkt razendsnel in een
moslimdorpje van ons-kent-ons. Ik vertel aan Molenbeekse winkeliers dat ik een
studentenkot zoek. Molenbeekse winkeliers kennen een Marokkaanse Amira,
slachtoffer van partnergeweld. Amira woont nu alleen maar zit in geldnood. Een
studente als ik zou arme Amira wel kunnen helpen met de huur. Hier stopt de
tamtam en ik trek gauw in bij Amira. Samen wonen we in een klein krot twee hoog
in De Ribaucourt. Vooral ’s avonds maken we ons druk om het kapotte licht in de
keuken. Ergernis nummer twee is het gebrek aan warm water. Iedere ochtend wacht
me letterlijk een koude douche. Dan is er nog de houten binnendeur, oud, vies
en dik bruin gelakt. Amira vindt het maar niks. Zelfs in de Marokkaanse sloppen
tref je nog mooiere deuren. Werkelijk, heeft een Europese stad zulke krotten?
Amira kan haar teleurstelling over België niet verbergen. Voor de
negenentwintigjarige Marokkaanse is het een achterlijk, veel te duur,
regenachtig land. Brussel vindt ze maar vies, vooral de straatarchitectuur van
onze hoofdstad kan haar niet bekoren, te ouderwets’.
Verse importbruid
Grote desillusies verteren Amira, de verse importbruid uit Marokko. Twee jaar
geleden was ze nog vrij en gelukkig in haar thuisland. Maar plots stond hij
daar. Hij, vertelt Amira, niet de ware, niet de zoete, niet mijn liefje. Gewoon
hij, een vreemde Belgische Marokkaan. Die vreemde man beloofde Amira el
ghariej, het buitenland, in ruil voor een huwelijk. Maar Amira droomde niet
van el ghariej. In Marokko kwam ik niets te kort. Ik had een leuke job en was
gelukkig omringd door familie en vrienden. Toch gaf Amira haar jawoord aan die
Marokkaanse vakantieganger uit België. Niet de liefde maar het lot overviel me.
Ik kwam naar België, mijn man sloeg me en mijn huwelijk flopte.
Ondanks alle ellende wil Amira nog niet weten van een terugkeer naar Marokko. Eerst
wil ik een OCMW-uitkering, zegt ze vastberaden en prompt geeft ze me advies. Weet
je, jouw ouders hoeven niet te betalen voor jouw studies. Ga gewoonweg naar het
OCMW, ze geven ook geld aan studenten. Het is inmiddels nacht in Molenbeek. Een
korte, krachtige sirene schrikt mij op uit mijn slaap. Wanneer ik uit het raam
kijk, zie ik een anonieme politiewagen met blauw zwaailicht. Een jonge Marokkaan
wordt in de boeien geslagen. Ik hoor mezelf zachtjes zingen: Het leven dat we
leven is het leven van de straat. Macht en geld is waar het leven over gaat.
Wie geeft je liefde en wie geeft je haat. Wie wordt je vijand en wie wordt je
maat. Met het rapliedje van de Nederlandse Ali B. kruip ik weer het bed in.
Op zoek naar de sjeik
Vraag me niet waarom maar ’s ochtends ben ik meestal suïcidaal, heel
eventjes maar. Het is telkens diezelfde vraag die me plaagt wanneer ik met
moeite mijn ogen open. Hind, wat doe je in dit leven, vraagt het stemmetje me.
Een antwoord blijft altijd uit en gelukkig dut ik snel weer in. Deze ochtend
was echter anders. Stemmetje was opdringerig en had een nieuwe vraag. Psst
slaapkop, waaraan ben je in godsnaam begonnen? Ik wrijf kinderlijk in mijn
ogen, rek me uit en zeg, ik ben een journaliste in Molenbeek, op zoek naar
moslimextremisten. Ik weet waaraan ik begin. Stemmetje kan de pot op en ik ga
de stad in. Zelfverzekerd zoek ik België ’s beruchtste moslimextremist: de
Syrische sjeik Bassam Ayachi, een naam als een klok in het Brusselse.
Bassam is de bezieler van het in 1997 opgerichte Centre Islamique Belge (CIB).
Deze radicale moslimvereniging kwam twee jaar geleden in opspraak met
paramilitaire scoutskampen en propaganda voor de terreurgroep Al-Qaeda. Het CIB
diende ook als moskee waar islamitische trouw- en echtscheidingsakten werden
uitgegeven. Zo sloot Bassam in 1999 een huwelijk tussen de Tunesiër Abdessatar
Dahmane en de Brussels Marokkaanse Malika Al Aroud. De Tunesiër is een van de
moordenaars van de Afghaanse oppositieleider Massoed.
Vermoedelijk gebeurde die moord in
opdracht van Osama Bin Laden, twee dagen voor de aanslagen op 11 september in
New York. Sinds al die commotie lijken Bassam en zijn CIB met de noorderzon
verdwenen. Molenbeekse moslims waarschuwen me. De staatsveiligheid zit Bassam
op de hielen. En pas op, dat hij je niet indoctrineert. Als je hem vindt
tenminste.
Hartje Molenbeek
Kijk eens rond in de Rue Van Derdussen, daar zou je Bassam moeten vinden, tipt
een Marokkaanse ambtenaar. Rue Van Derdussen ligt in hartje Molenbeek, het is
een straat vol smalle rijhuizen, met hier en daar een winkel. Ik spreek enkele
mensen op straat aan maar niemand weet waar Bassam is. Na een lange, vruchteloze
zoektocht in de Van Derdussen en omgeving begin ik op te vallen bij enkele
straatjongeren. Mmm, meisje, fluistert een jongeman terwijl hij rakelings langs
me scheert. Het is valavond en ik voel me niet meer op mijn gemak. Mijn laatste
redplank zijn de lokale winkeliers, ze weten tenslotte alles over hun medina. Bassam,
zegt de vishandelaar. Hier, ik heb zijn visitekaartje. Hou het maar bij.
De volgende dag heb ik een afspraak met Bassam. In de Rue De Piers bel ik
opnieuw aan bij nummer 14. Niemand opent de deur en net wanneer ik besluit om
huiswaarts te keren, stappen drie mannen naar me toe. De folkloristische figuur
van het trio draagt een lange, grijze tuniek, een tulband op het hoofd en heeft
een witte baard. Dit is de Syrische sjeik Bassam Ayachi, denk ik bij mezelf. Vrede
zij met u, ik ben studente sociologie, zeg ik in het Arabisch. Bassam groet me
terug maar een handje schudden doen we niet. Ik ben immers een vrouw, en hij
een man.
Dreigbrieven
Bassam klopt tweemaal op de deur en roept een beetje bars in het Frans: Ik ben
het. Een jongeman laat ons binnen in nummer 14, een vies, verlaten en vervallen
pand. Zodra ik binnen ben, besef ik het risico van mijn opdracht. Ik zit in
mijn eentje in een vreemd huis vol moslimextremisten doe me voor als een
studente. Even flitst het door mijn hoofd: adres Rue De Piers, aan mijn ouders
gegeven met de nadrukkelijke vraag in te grijpen als ik niet terugbel binnen
twee uur, redactiechef Gunther een berichtje gestuurd: ‘heb afspraak met
beruchte extremist’.
Dagelijks stuur ik Gunther een sms,
zeg maar een teken van leven. Meer kan ik niet doen om mijn veiligheid te
verzekeren, besluit ik. Niettemin blijf ik op mijn hoede want de beruchte
Bassam is ook de man die een dreigbrief schreef naar de Franse oud-minister van
Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy. Wanneer de dood mooi wordt, titelde Bassam
en hij dreigde met zelfmoordaanslagen als er geen einde kwam aan het
hoofddoekverbod in Frankrijk.
Ondanks alle opschudding die Bassam en het CIB veroorzaakten, omschrijft hij
zichzelf niet als extremist. Een moslimextremist is iemand die meent dat
moslima’s geen hoofddoeken moeten dragen en dat een islamitische staat mogelijk
is zonder islamitische wetgeving. Kortom, iemand die nieuwe, Westerse noties
geeft aan de islam. Zo evolueren we naar een christelijke islam. Dat is
extremisme.
Pedo’s en homo’s
Volgens de Syriër zullen de Europeanen zich niet langer verzetten tegen
pedofilie. Want homoseksualiteit is niet meer uit den boze in Europa. Binnen
dertig jaar zal ook de strijd tegen kindermisbruik afnemen en krijgen
pedofielen vrij spel, net als homo’s.
Dit alles omdat Europeanen zich
willen laten leiden door zogenaamde natuurlijke wetten. Wel, dieren hebben ook
een natuurlijke gang van zaken, ze plegen om de haverklap incest. Moeten we dan
ook zoals de beesten worden: broer bekruipt zus, zoon bespringt moeder? Mooi is
dat.
De Europese vrijheid is destructief, besluiten Bassam en zijn aanhangers die
almaar talrijker worden in het rommelige pand. Van een jihad, een heilige
oorlog, in België wil het bonte gezelschap niet weten. De Belgische staat geeft
ons eten, drinken en werk. Maar een jihad voer je allereerst met woorden. Als
dat niet helpt, zijn andere middelen gerechtvaardigd om de onderdrukker uit te
schakelen. De Fransen hadden daar een mooi woord voor: la résistance.
Wij houden het bij woorden maar
voldoende Brusselse jongeren voelen zich uitgedaagd door de wereldpolitiek en
willen acties ondernemen, terroristische acties, zegt een kleurrijke figuur in
het gezelschap. De anderen knikken instemmend. Voldoende jongeren, misschien
ook jongens van de moslimscouts?
Islam spelenderwijs
Met onze moslimscouts willen we spelenderwijs islamwaarden meegeven aan dolende
jongens. De beschuldiging dat we paramilitaire zomerkampen zouden organiseren
is vals. De bosspelen met onze padvinders zijn onschuldig vertier.
Ons centrum is geen poort naar
Afghanistan en banden met Al Qaeda hebben we niet. Toch blijven de
veiligheidsdiensten ons in het oog houden. En dat zijn we beu. Eerder sloot de
overheid ons lokaal wegens mijn politiek getinte vrijdagpreken.
Een ander gebouw in de Albert
Vanderkinderestraat brandde uit in mei 2002. Brandstichting, vermoedt Bassam.
Voor de Brusselse buitenwereld houden Bassam en de zijnen zich koest. Maar we
hebben nu een geheime ontmoetingsplaats, kwestie van onze lokalen te beschermen
en in alle rust onze activiteiten te houden. In het geheime gebouw zouden
moskeegangers en zo’n honderdtal moslimscouts samenkomen. Na twee maanden in
Molenbeek weet ik nog niet waar de bende van Bassam zich ophoudt. Ik ben als
jonge studente (een vrouw!) veel te zelfstandig en ben niet door zijn selectie
geraakt.
bron: Het Nieuwsblad